![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
LandbouwTussen 1950 en 1990 is het volume van de toegevoegde waarde van de Nederlandse landbouw fors toegenomen, gemiddeld met bijna 3,5 procent per jaar. De landbouwbedrijven van vandaag de dag zijn steeds meer gespecialiseerd en het aantal landbouwbedrijven is sterk gedaald: van ruim 400.000 in 1950 naar nog maar circa 80.000 in 2005. Aan de periode van forse productiegroei kwam begin jaren negentig een abrupt einde. In de periode tussen 1990 en 2003 groeide het volume van de toegevoegde waarde gemiddeld met minder dan 1 procent per jaar. Bovendien daalden in deze jaren de prijzen van landbouwproducten fors. Er zijn drie oorzaken aan te wijzen voor het keerpunt rond 1990. Ten eerste was er een handelspolitieke en een budgettaire druk om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid te hervormen. Als reactie hierop werden de minimumprijsgaranties stapsgewijs verlaagd. De groei van de melkveehouderij was al in 1984 gestopt door de invoering van de melkquotering. In de tweede plaats lieten de belangrijkste afzetmarkten in toenemende mate verzadigingsverschijnselen zien. De derde en misschien wel belangrijkste factor was de druk van de landbouw op de leefomgeving en de reactie van het beleid hierop. Zo werden in 1988 mestproductierechten geïntroduceerd (later omgezet in dierrechten), waardoor de verdere groei van de intensieve veehouderij sterk werd afgeremd. De kenmerken van de scenario's
Kerngegevens Landbouw
Download- Het hoofdstuk Landbouw uit het Hoofdrapport (PDF) |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||